 |
Hulpverlening
DIAGNOSTIEK of diagnose stellen(vaststellen van de stoornis):
Ontwikkelingsstoornissen en/of comorbide stoornissen kunnen (thans nog) niet met een eenvoudig testje worden vastgesteld.
De diagnose van deze stoornissen is niet eenvoudig te stellen omdat:
• er geen scherp afgebakende categorieën zijn die vastgesteld kunnen worden met objectieve onderzoeksmiddelen en instrumenten
• de onderscheidende kenmerken in andere combinaties ook vaak voorkomen bij andere leer- en gedragsstoornissen
• ze een enorme overlap kennen
• combinaties van stoornissen eerder regel dan uitzondering zijn.
Er is ook bijvoorbeeld geen bloedtest waardoor het kan worden vastgesteld. Natuurlijk is het wel mogelijk om een diagnose vast te stellen, maar alleen na een grondig onderzoek van de levensloop van de persoon, waarbij “gedrag” het uitgangspunt is. In het onderzoek wordt een beeld gevormd van de problemen en eventuele ontwikkelingsbelemmeringen op vele gebieden. Deze gebieden zijn communicatie, sociale, dagelijkse en motorische vaardigheden. Daarnaast wordt er vaak een intelligentietest afgenomen, om te zien of er specifieke problemen met de waarneming en informatieverwerking voorkomen.
Om een ontwikkelingsstoornis zoals ADHD of een ASS te kunnen vaststellen, is daarom een goede diagnostische procedure nodig.
Ontwikkelingsstoornissen worden bij een GGZ of RIAGG(-autismeteam) in de regel gediagnosticeerd door een multidisciplinair team bestaande uit een (kinder)psychiater of gespecialiseerde kinderarts, een klinisch psycholoog of orthopedagoog (gedragsdeskundigen) en een maatschappelijk werker of psychiatrisch verpleegkundige. Maar ook gedragsdeskundigen in de eerste lijnszorg kunnen de gedragsdiagnostiek voor hun rekening nemen, waarna eventueel een bezoek gebracht kan worden aan een (kinder)psychiater of kinderarts voor eventuele medicatie.
Diagnostiek bij kinderen
Een goede diagnostische procedure bestaat afhankelijk van de hulpvraag uit: Een informatief gesprek met de ouders (of andere primaire verzorgers) over de levensloop en klachtgedrag van het kind. Daarnaast een lichamelijk onderzoek van het kind, aangevuld met een eventueel psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek. Tevens behoort er informatie te worden ingewonnen bij derden zoals bijvoorbeeld de leerkracht, mentor en huisarts ).
Ter ondersteuning kunnen gestandaardiseerde vragenlijsten gebruikt worden, die gebaseerd zijn op de criteria van de DSM IV, maar ook meer algemene vragenlijsten, zoals de CBCL (Child Behavior Checklist), waarvan een ouder-, leerkracht en kindversie van bestaan. Als er sprake blijkt te zijn van een ontwikkelingsachterstand kan een instrument worden gebruikt om de ontwikkelingsleeftijd vast te stellen, namelijk de Vineland Adaptive Behavior Scales (VABS). (Sparrow, Sara S., Balla, David A, and Cicchetti, Dominic V. (Copyright 1984). Bij deze lijsten, die in interview vorm worden afgenomen, wordt het functioneren van het kind op vier domeinen in kaart gebracht, namelijk Communicatie, Socialisatie, Dagelijkse vaardigheden en Motoriek.
(Noot bij de CBCL: dit zijn vragenlijsten, waarmee vele problemen redelijk betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Onder de vragen bevinden zich op het eerste gezicht wat vreemde vragen, als jou kind zulke gedragingen niet heeft. Toch is het helaas zo dat er kinderen dit probleemgedrag wel vertonen. Je hoeft hier dus niet van te schrikken. Je vult hierbij gewoon in dat het gedrag niet voorkomt. Deze lijsten zijn gemaakt op basis van uitgebreide onderzoeken bij vele kinderen.)
In het gesprek over de levensloop komende de volgende zaken aan de orde: het verloop van de zwangerschap, de geboorte, 1e jaar huilen, eten, drinken en slapen. Verdere opgroeien. Motorische ontwikkeling, spraak/taal ontwikkeling, zindelijkheid, sociale ontwikkeling (vriendschappen en vrijetijdsbesteding). Ook specifieke problemen worden besproken. Daarnaast wordt uitgebreid ingegaan op het klachtgedrag en wat er wel goed gaat. Dus wat de ouders zien als problemen bij het kind, waar ze zich zorgen over maken en wat er goed gaat met het kind en waar zij in uitblinken.
Daarnaast kan er informatie ingewonnen worden over broertjes en zusjes en eventuele stoornissen in de overige familie.
Als aanvulling kan er een psychologisch onderzoek plaatsvinden, maar dit gebeurt niet altijd. Hierbij wordt de intelligentie bepaald door middel van een IQ-test. Daarnaast kan er aandacht worden besteed aan de aandacht, planning en organisatie van het gedrag, geheugenstrategieën en –capaciteit. Ook een gezinsonderzoek, fysiotherapeutisch- en logopedisch onderzoek behoren tot de mogelijkheden, maar ook observatie thuis en/of op school kunnen plaatsvinden.
Bij een ernstige vorm van de stoornis is het onderzoek dus vaak multidisciplinair. Dus diverse hulpverleners zijn bij dit onderzoek betrokken, zoals boven aangegeven welke (F. Boer, e.a., 1999)
Diagnostiek bij volwassenen
Het is nog niet zolang bekend dat ook volwassenen en ontwikkelingsstoornis kunnen hebben. Er moet in dat opzicht nog een inhaalslag worden uitgevoerd. Vooral bij ADHD werd gedacht, dat je hierover heen zou groeien. Toch is er in korte tijd, door veel wetenschappelijk onderzoek, een procedure ontwikkelt om ook bij volwassenen deze stoornissen te kunnen diagnosticeren.
Bij volwassenen is het vaak wel complexer om de stoornis te diagnosticeren. De kenmerken zijn vaak veranderd, doordat men bijvoorbeeld geleerd heeft met deze kenmerken om te gaan. Volwassenen zijn vaak ook beter in staat om over hun eigen gedrag na te denken en zij zullen daarom bepaalde kenmerken niet meer of in veel mindere mate vertonen. Naast het veranderen van de kenmerken hebben volwassenen vaak meer comorbide stoornissen, omdat zij nooit hebben geweten dat zij een stoornis hadden en de zo noodzakelijke begeleiding hebben moeten ontberen. Zij hebben vaak te horen gekregen dat ze lui, vervelend, dom en nog meer van dergelijke opmerkingen. Een laag zelfbeeld en depressieve stoornissen zijn daarvan vaak het gevolg (Kooij, 2002).
De diagnostische procedure lijkt veel op de hierboven beschreven. Bij een volwassene zal alleen vaak de IQ-test vervallen, omdat de schoolse vaardigheden niet meer van belang zijn.
In het bijzonder bij ADHD worden thans naast de DSM-IV criteria, die afgestemd zijn op kinderen, lijsten gebruik met kenmerken, die specifiek bij volwassenen voorkomen. Bij de DSM-IV criteria worden andere afkapcriteria gehanteerd, omdat bijvoorbeeld een volwassene meestal niet meer zo hyperactief is (bijvoorbeeld het criterium door de kamer zal rennen is meestal niet meer van toepassing), maar meer een innerlijke onrust daarvoor in de plaats heeft gekregen. Bij volwassenen moeten ook de criteria (retrospectief) in de jeugd worden bekeken (Kooij, 2002).
Ook bij volwassenen met een autistische spectrumstoornis is het soms moeilijk om deze stoornis vast te stellen en met name bij hen die hoogbegaafd zijn. Soms treden er pas grotere problemen op als zij aan een hogere of universitaire studie beginnen, waar de structuur wegvalt en zij erg hun hun zelfstandigheid worden aangesproken. Door hun intelligentie hebben zij in hun jeugd vele problemen kunnen overwinnen.
Labelen of een classificatie
Na het onderzoek vindt er een classificatie (labelen) plaats van de problemen. Dit wil zeggen het onderbrengen van de problemen in vastgestelde criteria. Het belangrijkste classificatiesysteem dat gebruikt wordt in de hulpverlening is de DSM-IV.
Een voorbeeld van een classificatie is een Aandachtstekortstoornis met of zonder hyperactiviteit (ADHD).
Labelen is eigenlijk niet prettig, het kan ook negatieve gevolgen hebben. Toch is het prettig om een naam te hebben voor de problemen en voor de hulpverlening is het noodzakelijk, namelijk om een juiste behandeling te kunnen toepassen en om hulpverlening te kunnen financieren. Ook voor de verwerking van de diagnose is een naam erg zinvol.
Advies
Na de diagnostische fase wordt een adviesrapport geschreven. Hierin staat beschreven welke hulp nodig is.
Behandeling, ondersteuning en begeleiding of (job)coaching
Afhankelijk van de problemen wordt er een individuele behandeling of begeleiding gestart, maar het is ook mogelijk via groepscursussen begeleiding en behandeling te bieden.
Ook is het mogelijk bij kinderen via ouderbegeleiding het gedrag van het kind te beďnvloeden. Dit wordt ook wel mediatietherapie genoemd. Mediatietherapie kan ook zowel individueel als in cursusvorm worden gegeven.
De belangrijkste elementen van een behandeling of ondersteuning is:
Psycho-educatie (is informatie over de stoornis) en leren omgaan met de stoornis.
Daarnaast zijn er meerdere mogelijkheden:
- Sociale vaardigheidstrainingen (SOVA)
- TOM-training (Theory of mind)
Theory-of-Mind (TOM) is de cognitieve vaardigheid aan jezelf en aan anderen gedachten, gevoelens, ideeën en intenties toe te schrijven en op basis daarvan te anticiperen (verklaren en/of voorspellen en reageren) op gedrag van anderen.
De bouwstenen zijn perceptie/imitatie, emotieherkenning, doen-alsof en het onderkennen van verschil tussen de tastbare werkelijkheid en de mentale representatie daarvan, ‘first order belief’, ‘false belief’(respectievelijk causaal denken en begrip van misleiding), ‘second order belief’ (metacognitief denken) en begrip van complexe humor en ironie.
- Gedragsregulatie en/of -therapie.
- Ouderbegeleiding
- (job)Coaching.
Waarom is opvoedingsondersteuning nodig?
Normale opvoedingstechnieken van ouders schieten (vaak) tekort bij kinderen met ADHD en een autistische spectrumstoornis. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de omgang met het kind. Dit is niet de oorzaak, maar het gevolg van de stoornis. Het is nodig om ouders extra vaardigheden aan te reiken voor de omgang met hun kind. Daardoor verandert het gedrag van het kind. Het is mogelijk via cursussen in groepsverband of in individuele gesprekken deze extra vaardigheden aan te reiken. Ook is het erg belangrijk dat ouders veel af weten van de stoornis van hun kind (psycho-educatie). Hierdoor ontstaat er meer begrip voor het kind en weten ouders wat er wel en niet een gevolg kan zijn van de stoornis.
Enige praktijkvoorbeelden
-Marco is 9 jaar. Hij is op school snel afgeleid, zit te wiebelen op zijn stoel, geeft antwoord voor zijn beurt en in de pauze bemoeit hij zich vaak met ruzies van andere kinderen en slaat er dan boven op. Thuis is hij altijd in de weer, hij kan niet stoppen met druk doen, ook niet als dat van hem verwacht wordt. Hij reageert vaak niet als hij geroepen wordt.
-Marieke is 14 jaar. Het is een stil onhandig meisje, dat vaak wat voor zich uit zit te dromen. Ze heeft weinig vriendinnen en zit het liefst voor de tv. Bezigheden kosten haar veel tijd. Op school is ze nooit lastig, toch zijn haar schoolprestaties ondanks haar normale intelligentie teleurstellend.
-Jochem ontwikkelt zich anders dan andere kinderen. Hij heeft geen vrienden, is snel angstig en heeft maar één interesse: auto’s. Hij is erg detailgericht. Hij herhaalt vaak zinnen, grapjes snapt hij niet en hij begrijpt niet wat anderen van hem willen. Zijn er veranderingen in de dagelijkse gebeurtenissen, dan wordt hij agressief.
-Dirk is 30 jaar en vertelt: het is een storm in mijn hoofd. Ik word afgeleid door mijn eigen gedachten en ideeën. Ik ben altijd mijn sleutels kwijt en vergeet vaak mijn portemonnee. Ik heb diverse banen gehad en het aantal partners is niet meer te tellen. Een vriendin suggereerde dat ik wel eens ADHD zou kunnen hebben.
Medicatie
Niet iedereen heeft medicatie nodig of wil medicatie innemen. Bekend is dat bij een ernstige vorm van ADHD een combinatie van behandeling (bijvoorbeeld gedragsaanpak zoals SOVA of therapie) en medicatie een groter resultaat heeft, dan alleen behandeling.
Als er gekozen wordt voor medicatie, moet er ook rekening mee gehouden worden dat ieder lichaam uniek is. Ieder lichaam heeft een eigen middel nodig wat werkzaam is.
Het meest voorgeschreven bij ADHD is Ritalin, omdat dit middel het meest betrouwbare middel is en de minste bijwerkingen kent.
Vergeten wordt vaak dat ook ieder lichaam een eigen dosis nodig heeft en dient daarom ingesteld dient te worden. De dosis van het middel is daarom voor iedereen anders. Zo zal de een het goed doen op 4x daags 10 mg Ritalin en de ander op 4x20 mg.
De werking van het middel is tussen de 2 en de 4 uur. Dit komt door de specifieke verbranding van het lichaam. Daarom heeft iedereen een andere tussentijd van inname. Dit heeft gevolgen voor de aantal innames per dag. Daarom heeft de een 3 of 4 innames per dag en een ander wel 6. Een persoon die wel 6 giften nodig heeft zal daarom niet toekomen met bijvoorbeeld maar 40 mg Ritalin. Hij heeft dan 60 of soms wel 120 mg nodig.
In de regel wordt door artsen teveel naar de bijsluiter van Ritalin gekeken, waarin een maximale dosis staat vermeld. Dit is inmiddels achterhaald, maar niet veranderd in de bijsluiter.
Voorbeelden van medicatie: Ritalin, Risperdal, Dixarit, Dipiperon, Orap, Aurorix, Effexor, Clonidine, Antidepressieva, zoals Seroxat.
Toegevoegd wordt nog informatie over:
- Vrije tijdsbesteding
- Dagbesteding
- werk
- wonen
|
 |
 |
Informatie
Kennismaken Onder de knop ‘Kennismaken” vind je informatie over degene achter deze site.
Informatie Onder de knop ‘Informatie’ kun je allerlei info vinden over bijvoorbeeld AD(H)D, Autisme, Comorbiditeit, hulpverlening, PGB en nog veel meer!
Project Onder de knop ‘Project’ kun je lezen wat het project inhoudt en waarvoor informatie of hulp wordt gevraagd.
Contact Met de knop ‘Contact’ kun je contact met mij leggen, als je een vraag hebt of informatie hebt voor mij.
Links Onder de knop ‘Links’ zijn gerelateerde sites te vinden.
|
 |
 |